Conclusies klimaatrondetafel "Welzijn" - 12 september 2016

Investeren in bewustzijn, maar de overheid moet het voortouw nemen

De Welzijnssector combineert een grote gevoeligheid voor het klimaatthema met een quasi afwezigheid van structurele veranderingen. Dat heeft te maken met gebrek aan inzicht in wat er met de eigen gebouwen kan of moet gebeuren, maar ook met gebrek aan middelen. De overheid kan sturen met het slim inzetten van stimuli.

Vier werkgroepen bogen zich over de klimaatuitdagingen voor de Welzijnssector. De deelnemers aan de werkgroepen kleine maatregelen, energetische renovatie, ESCO en duurzaamheidsmeter brachten hindernissen, kansen en uitdagingen in kaart. De verschillende groepen kwamen tot de conclusie dat er een belangrijke faciliterende rol voor de overheid is weggelegd en dat de communicatie moet verbeteren om onbekende initiatieven in de kijker te zetten. Verder pleiten ze voor een rollend fonds, financiële tegemoetkomingen voor degenen die het goede voorbeeld geven en het toekennen van een duurzaamheidsscore per gebouw met bindende doelstellingen.

Foto Vlaams Minister Jo Vandeurzen op de klimaarondetafel welzijn - 12 september 2016Werkgroep kleine maatregelen: samen investeren in klimaat

De werkgroep Kleine Maatregelen begon met een inspiratielezing van Theo Verstappen van Eandis. Verstappen wees op het belang van het opvolgen van het verbruik van gebouwen en sensibilisering van personeel en bewoners.

Vervolgens boog de werkgroep zich over hoe men het verbruik van natuurlijke energiebronnen kan doen dalen zonder al te grote investeringen te doen. Een eerste belangrijk punt daarbij is, zoals Verstappen ook al aangaf, het monitoren van energieverbruik. De werkgroep stelt voor dat elke organisatie daar een persoon of afdeling verantwoordelijk voor maakt.

Volgens de werkgroep valt er meer te bereiken met sensibilisering en het aanpassen van gedrag dan met technische innovatie of optimalisatie. Voor die sensibilisering is het belangrijk dat er voor elke doelgroep aangepaste communicatie is. Ook de organisatie zelf moet het goede voorbeeld geven door duidelijke afspraken te maken en klimaatvriendelijk gedrag te stimuleren, bijvoorbeeld met ecocheques en een fietsvergoeding.

Expertise moet toegankelijker worden, vindt de werkgroep. Kleine voorzieningen zouden van elkaar kunnen leren door good practices uit te wisselen. Ziekenhuizen en zorginstellingen kunnen ook meer samenwerken, bijvoorbeeld door samen te investeren in een windmolenpark. Daarnaast moet er blijvend geïnvesteerd worden in de opleiding van technische installateurs.

De werkgroep vindt het energieprestatiecertificaat (EPC) te vrijblijvend en te vaag. Om effectief iets aan het energieverbruik te kunnen verbeteren, moeten organisaties een gedetailleerde uitleg over hun verbruik krijgen. Daarnaast pleit de werkgroep voor een databank van energiebesparende maatregelen waarmee organisaties aan de slag kunnen en voor een verplichte energieaudit, ook voor de tertiaire sector die hier momenteel van vrijgesteld is.

De Vlaamse overheid en Europa kunnen energiebesparende maatregelen aanmoedigen met een financiële stimulans, zegt de werkgroep. Ook het fiscaal belonen van instellingen die het goede voorbeeld geven kan een extra aanmoediging zijn.

Werkgroep energetische renovatie: beloon de goede praktijken

De zorgsector probeert haar energieverbruik tegen 2030 met 30 procent te doen dalen. De werkgroep Energetische renovatie ging na hoe zorginstellingen die klimaatdoelstelling kunnen behalen. De werkgroep opende met een lezing van Jo Dreezen van Zorgbedrijf Antwerpen die uiteenzette welke maatregelen het zorgbedrijf genomen heeft sinds het opstellen van zijn Energieplan in 2012.

De werkgroep pleit net als de werkgroep kleine maatregelen voor een energieaudit op maat per project. De overheid zou dit moeten stimuleren. Het EPC is volgens de werkgroep niet de juiste maatstaf om een duidelijk overzicht te krijgen.

Van alle gebouwen moet een stand-van-zaken opgemaakt worden. Het is belangrijk daarbij een langetermijnvisie te hanteren en niet te voorzichtig te werk te gaan: gebouwen die onvoldoende functioneel zijn of onvoldoende energie-efficiënt gemaakt kunnen worden, vervangt men beter door nieuwbouw. Als men er toch voor opteert een bestaand gebouw grondig te renoveren, moet het een functioneel gebouw met een goede structuur zijn. Voor grote renovatieprojecten is het belangrijk een team samen te stellen dat voeling heeft met de zorgsector.

Kleine voorzieningen moeten goed ondersteund worden. Ze kunnen good practices uitwisselen en van elkaars fouten leren. Goede praktijken moeten beloond worden. De overheid moet opletten niet enkel de slechte spelers aan te moedigen iets te veranderen.

Ook de werkgroep Energetische Renovatie vindt sensibilisering en responsabilisering van de gebruikers van het gebouw met communicatie aangepast aan de doelgroep belangrijk. Er is eveneens nood aan sensibilisering en opleiding van technici.

Zorginstellingen beginnen best bij de eenvoudigste maatregelen omtrent energieverbruik, waarna ze kunnen kijken waar er nog verbeteringen nodig zijn. In eerste instantie kunnen ze zich richten op bewustmaking, vervolgens op statische ingrepen (installeren van isolatie, zonnewering e.d.) en als laatste stap op dynamische elementen zoals energie uit wind of zon.

Het is belangrijk dat instellingen een realistisch beeld krijgen van de terugverdientijden van hun investering, rekening houdend met de veranderende energieprijzen.

Om voldoende stimulans en zekerheid te bieden moet de regering volgens de leden van de werkgroep een rollend fonds voor energie prioritair maken.

Werkgroep ESCO: innovatieve investeringsinstrumenten hebben nood aan overheidsbegeleiding

De derde werkgroep werkte rond ESCO’s of Energy Service Companies. Met het inzetten van ESCO’s kunnen zorginstellingen duurzame investeringen in hun energiegebruik doen, maar het concept is in Vlaanderen nog relatief onbekend en dus ook onbemind. Doordat het zo nieuw is, zijn er nog een hoop hindernissen. Die vormden het onderwerp voor de werkgroep ESCO.

De werkgroep opende met een lezing van OPZC Rekem, een psychiatrisch ziekenhuis en verzorgingscentrum dat bijgestaan door het Vlaams Energie Bedrijf (VEB) een overeenkomst sloot met een ESCO-partner. De ESCO garandeert een jaarlijkse energiebesparing van zo’n 194.000 euro. OPZC Rekem, dat beschermd is door een resultaatsverbintenis, betaalt daarvan jaarlijks zo’n 130.000 euro af aan de ESCO en houdt de overige 64.000 euro opbrengst als winst.

OPZC Rekem - Gebouw 2Vooral voor kleine en middelgrote voorzieningen is samenwerking met een ESCO vaak niet haalbaar. De werkgroep ESCO bekeek hoe deze voorzieningen via samenwerking toch een contract met een ESCO zouden kunnen afsluiten. Omdat dit soort samenwerkingen nieuw is, stuiten ze op een aantal praktische en legale hindernissen. De Vlaamse overheid of het VEB zou een alternatief model kunnen uitwerken dat zulke samenwerkingen faciliteert en de drempels voor kleine voorzieningen wegneemt.

Kleinere voorzieningen hebben onvoldoende expertise in huis en zullen dus moeten samenwerken met een externe partner zoals het VEB, of de overheid zou expertise ter beschikking kunnen stellen om hen aan te moedigen. De werkgroep duurzaamheidsmeter vulde hierbij aan dat recent het Vlaamse initiatief Energy Investment Platform werd opgericht om met kleine of middelgrote rusthuizen te bekijken wat het meest geschikte ESCO-voorstel voor hen is.

Als men de rol van ESCO’s uitbreidt van enkel technische installaties naar gebouwen, logistiek, afval, water voedselverspilling en dergelijke, kunnen de voorzieningen zich volledig op hun zorgtaak richten. Een probleem is wel dat men daarvoor verschillende ESCO-partners zou moeten inschakelen, wat de kosten de hoogte in jaagt.

Volgens de werkgroep ligt de focus bij ESCO’s vaak te veel op financiële voordelen in plaats van op milieuvoordelen en is het risico dat ESCO’s zo voornamelijk makkelijke investeringen doen voor snelle winst in plaats van investeringen op lange termijn.

De werkgroep concludeerde dat er veel meer mogelijk is met ESCO dan we vandaag weten en dat het interessant kan zijn het toepassingsgebied uit te breiden. De overheid zal dan wel moeten investeren in het informeren van voorzieningen, in onderzoek, in de creatie van een aanspreekpunt en in het faciliteren van het proces en samenwerkingen voor kleine en middelgrote voorzieningen.

Werkgroep Duurzaamheidsmeter: zonder bindende richtlijnen, geen resultaat

Om de klimaatdoelstellingen van Europa te halen, moeten alle gebouwen tegen 2050 bijna klimaatneutraal zijn. De werkgroep duurzaamheidsmeter ging na wat er nodig is om die doelstelling te halen met de zorgsector. Friedl Decock van bouwfysisch ingenieursbureau Daidalos Peutz opende de werkgroep met een lezing waarin ze erop wees dat we bij nieuwbouw en renovatie op alle duurzaamheidsaspecten moeten focussen en niet enkel op energie.

De werkgroep is het erover eens dat vooruitgang op vlak van klimaattransitie een verplichting moet zijn en eventueel gekoppeld kan worden aan het al dan niet krijgen van werkingsmiddelen. Zonder bindende richtlijnen wordt er volgens de werkgroep weinig resultaat geboekt, denk maar aan het feit dat de eerste mondiale klimaatconferentie 25 jaar geleden plaatsvond, maar er sindsdien nog niet veel veranderde.

De werkgroep pleit voor een "duurzaamheidsmeter zorg" om elke voorziening een duurzaamheidsscore te kunnen toekennen. Een openenergiedatabank kan de duurzaamheidsscore, het energieverbruik en de installaties van de verschillende zorgvoorzieningen in kaart brengen. Zo kan men zien wie de grootste verbruikers zijn en dat geeft een stimulans om het beter te doen. Bovendien kan men uit de databank afleiden welke de meest interessante en dringende investeringen zijn.

Vanuit de welzijnssector is er een grote vraag naar het faciliteren van de samenwerking tussen voorzieningen en een kennisplatform of lerend netwerk om ervaringen uit te wisselen. Ook een overzicht van de beschikbare expertise om hen te ondersteunen bij de transitie, zou een houvast bieden.

De werkgroep pleit voor investering in resultaat in plaats van subsidies, monitoring om snel te kunnen bijsturen indien nodig, een rollend fonds met kwaliteitsgaranties en investeringen in infrastructuur.

De werkgroep pleit voor een aantal concrete engagementen: een opgelegde minimale duurzaamheidsscore voor alle nieuwe gebouwen vanaf 2020 en een verstrenging richting 2050. Ook zou elke zorginstelling een energievisieplan 2050 moeten opstellen om aan te tonen hoe ze tegen die tijd bijna klimaatneutraal zal worden.

Klimaatrondetafel "Welzijn" - 12 september 2016