De uitdaging voor Vlaanderen

Voor welke emissies heeft Vlaanderen een reductiedoelstelling?

Vlaanderen heeft alleen een (reductie)doelstelling voor de sectoren die niet onder het Europees emissiehandelssysteem voor energie-intensieve bedrijven vallen (het zgn. EU ETS). Dit is een gevolg van onze klimaatengagementen binnen de Europese Unie. In de huidige tweede verbintenisperiode onder het Kyoto Protocol (2013-2020), en onder het Akkoord van Parijs, gingen de EU lidstaten immers één gezamenlijk engagement aan op internationaal niveau. Voor België of Vlaanderen geldt er dus geen individuele doelstelling voor het verminderen van broeikasgasemissies.

Binnen de EU wordt er een opdeling gemaakt tussen de ETS- en de niet-ETS-sectoren. Tot de ETS-sectoren behoren  energie-intensieve bedrijven zoals verbrandingsinstallaties, olieraffinaderijen, cokesovens, ijzer- en staalfabrikanten, installaties die papier, baksteen, cement, glas, kalk, … produceren, bedrijven in de luchtvaartsector, …. Zij zijn verantwoordelijk voor ongeveer 40% van de totale Europese broeikasgasuitstoot. Voor al deze ondernemingen geldt sinds 2013 een overkoepelende Europese doelstelling (“EU wide cap”) waardoor ze gelijk worden behandeld.

Tot de niet-ETS-sectoren behoren transport, gebouwen, landbouw, afval en de (beperkte) niet-ETS-onderdelen van de sectoren industrie en energie. De Europese doelstelling voor deze sectoren wordt verdeeld over de verschillende EU-lidstaten. In België wordt deze vervolgens verder opgedeeld tussen de gewesten en de federale overheid. Het is voor deze niet-ETS-sectoren dat Vlaanderen een eigen doelstelling heeft.

Om de opsplitsing tussen ETS en niet-ETS op Europees niveau te kunnen maken, werd de Europese doelstelling t.o.v. 1990 (het internationaal gebruikte referentiejaar) omgerekend naar een doelstelling t.o.v. 2005. 2005 was het eerste jaar waarin de ETS-regelgeving van kracht was, en dus ook het eerste jaar waarvoor Europa over voldoende gegevens beschikt om de opsplitsing te kunnen maken.

Wat is de uitdaging voor Vlaanderen voor de niet-ETS-sectoren?

Vlaanderen heeft tegen 2020 een niet-ETS-reductiedoelstelling van 15,7% t.o.v. 2005. De Europese doelstelling voor 2030 moet nog verdeeld worden tussen de lidstaten. De Belgische – en dus ook de Vlaamse – doelstelling voor 2030 ligt dus nog niet vast. Ter illustratie werd een vork gaande van -31% tot -37,5% t.o.v. 2005 gebruikt.

Ondertussen publiceerde de Europese Commissie midden 2016 een voorstel met de niet-ETS doelstelling per lidstaat. Deze verdeling wordt momenteel besproken op Europees niveau. Voor België stelt de Commissie een doelstelling voor van -35% in 2030 t.o.v. 2005. De conclusie voor Vlaanderen blijft gelijk:

 

Infografiek 'de uitdaging voor Vlaanderen'

 

In de periode 2013-2020 moet Vlaanderen haar emissies verminderen volgens een lineair afnemend reductiepad met jaarlijkse uitstootplafonds. Dit houdt in dat onze niet-ETS-doelstelling jaarlijks met 2% (van de 2013 doelstelling) wordt aangescherpt. De verwachte niet-ETS-emissies vertonen in de periode 2013-2020 een jaarlijkse gemiddelde daling met 1% (van de 2013 emissies). Deze verschillende trends zouden leiden tot een mogelijke overschrijding van de doelstellingen vanaf 2017 die zich zonder bijsturing ook na 2020 zou verderzetten.

Het is dan ook nodig om het klimaatbeleid binnen alle niet-ETS-sectoren structureel te versterken. De emissietrend moet omgebogen worden tot op het Europees overeengekomen ambitieniveau op middellange (2030) en lange (2050) termijn. Daarom organiseert de Vlaamse Regering in 2016 dan ook de Vlaamse Klimaattop!