Het Europees Klimaat- en Energiepakket 2013-2020

Het Europese Klimaat- en Energiepakket 2020 werd goedgekeurd door de EU-leiders in maart 2007 en werd wettelijk bindend in 2009. Het is een set van wetgevende initiatieven die invulling moet geven aan de ambitieuze EU klimaat- en energiedoelstellingen voor 2020:

  • een vermindering van het energiegebruik met 20% door efficiënter gebruik ten opzichte van het verwachte niveau in 2020 bij ongewijzigd beleid;
  • een stijging van het aandeel van hernieuwbare energiebronnen in het bruto eindgebruik tot 20%;
  • een vermindering van de uitstoot van broeikasgassen met minstens 20% ten opzichte van 1990.

De Europese broeikasgasreductiedoelstelling wordt verder opgedeeld in:

  • Een doelstelling (op Europees niveau) van -21%* voor alle bedrijven die onder het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) vallen.
  • Een doelstelling van -10%* voor niet-ETS sectoren die verder verdeeld werd onder de 27 lidstaten en vastgelegd in de “Effort Sharing Decision” in 2009.

Om de opsplitsing tussen ETS en niet-ETS op Europees niveau te kunnen maken, werd de Europese doelstelling van -20% t.o.v. 1990 (het internationaal gebruikte referentiejaar) omgerekend naar een doelstelling van -14% t.o.v. 2005. 2005 was het eerste jaar waarin de ETS-regelgeving van kracht was, en dus ook het eerste jaar waarvoor Europa over voldoende gegevens beschikte om de opsplitsing te kunnen maken.

 

Visuele voorstelling broeikasgasreductiedoelstelling Europees Klimaat- en Energiepakket 2013-2020

 

Onder de “Effort Sharing Decision” hebben de 28 lidstaten jaarlijkse, bindende doelstellingen aangenomen voor alle niet-ETS sectoren. Het gaat hier voornamelijk om de sectoren transport, gebouwen, landbouw, afval en in mindere mate een deel van de sectoren energie en industrie die niet onder het EU-ETS vallen.

Bij de bepaling van de nationale doelstellingen voor de periode 2013-2020 werd rekening gehouden met de rijkdom van de lidstaten. Op basis van hun bruto binnenlands product per inwoner kreeg elke lidstaat een doelstelling tussen -20%* (vermindering) of +20%* (beperking van de groei). De Belgische doelstelling werd vastgelegd op -15%* die op haar beurt verder werd verdeeld tussen de gewesten en de federale overheid. Vlaanderen engageerde zich tot een reductie van 15,7%*.

Elke lidstaat moet de broeikasgasemissies afkomstig van die sectoren verminderen volgens een lineair afnemend reductiepad tussen 2013 en 2020 met jaarlijkse uitstootplafonds. Dit pad start in 2013 van de gemiddelde niet-ETS-emissies van de jaren 2008, 2009 en 2010. Vervolgens moet Vlaanderen een lineair afnemend emissiereductietraject volgen dat in 2020 een uitstootreductie realiseert van 15,7% in vergelijking met de niet-ETS-uitstoot in 2005.

Ondanks dit lineair afnemend emissiereductietraject worden de lidstaten toch beoordeeld op basis van hun globale doelstelling voor de periode 2013-2020 en niet zuiver voor elk afzonderlijk jaar. Er zijn namelijk een aantal ‘flexibiliteiten’ inbegrepen binnen de “Effort Sharing Decision”. Zo kunnen de lidstaten o.a. overschotten uit de beginjaren doorschuiven naar latere jaren waar ze afwijken van hun vooropgestelde lineaire reductiepad. De lidstaten moeten dus onder hun globale emissiebudget voor de periode 2013-2020 blijven. 

*t.o.v. 2005